Architectuur

Het spraakmakende gebouw aan de historische Muurhuizen, dat in eerste instantie diende als onderkomen voor de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek ROB (nu Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), werd in 1976 ontworpen door de architect ir. Abel Cahen. Het ontwerp stuitte op veel protest van diverse betrokkenen. Door deze weerstand en geldproblemen bij het Rijk startte de bouw pas om 1985. Cahen zocht in zijn ontwerp aansluiting bij de fijnmazige structuur van de binnenstad. Het gebouw wordt vaak gerekend tot het structuralisme.

Aanhangers van het structuralisme verzetten zich tegen de eenvormigheid van het Zakelijk Bouwen (jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw).Voor hen vormde de mens en zijn sociale contacten het vertrekpunt van denken. Om sociale interactie, intimiteit en levendigheid te bevorderen, streefde ook Cahen in zijn ontwerp naar een multifunctioneel ruimtegebruik met een uitnodigend karakter. Hierdoor ontstond een bouwwerk met verschillende vertrekken, verdeeld over zes torens, omzoomd door een wirwar aan steegjes, pleinen, hoekjes en trappen. Cahen zocht aansluiting op de eeuwenoude binnenstad, zonder historiserend te bouwen. Het resultaat is een modern, eigenzinnig gebouw. Abel Cahen, opgegroeid in het Midden-Oosten tussen de kashba’s, nam de bouwvorm van zijn jeugd als uitgangspunt voor het pand voor de ROB. ‘Toen ik in Nederland kwam hield men hier verhalen over kashba’s, maar voor mij was dat gewoon een onderdeel van mijn jeugd. Voor mij sprak het vanzelf dat een gebouw kubisch was en platte daken had, die weer de terrassen vormden van de volgende verdieping.’ Juist door een kashba als inspiratiebron te nemen past het geheel ook beter in het middeleeuwse stratenpatroon van de Amersfoortse binnenstad.

Behalve aansluiting zoeken op de oude binnenstad speelde ook de organisatiestructuur van de ROB een grote rol in de vormgeving. De zes torens zijn bedoeld als een soort ‘huizen’ waar diverse functies in konden worden onder gebracht. Een verticale huisvesting was wenselijk aangezien veel veldtechnici vaak buiten de deur aan het werk waren. Wanneer je dan met slechts 1 of 2 werknemers in kleine vertrekken werkt, voelt dat minder onprettig aan dan wanneer je alleen in een grote zaal werkt. Samenwerking was echter ook belangrijk, daarom zijn alle torens op de begane grond en op de eerste verdieping horizontaal met elkaar verbonden aan de hand van het centrale plein en diverse ‘steegjes’. Door diverse doorgangen op de begane grond openbaar te maken wilde Cahen de overgang tussen het publieke leven en de kantoorruimte vervagen: ‘We hoopten zelfs dat de mensen overdag, met kinderwagens en al, van de tuin gebruik zouden kunnen maken’.